Tijdloze observaties op Design by Fire 2009
Op 20 oktober vond in het Spoorwegmuseum de interactie ontwerp conferentie Design by Fire plaats onder de vlag van zowel CHI-Nederland als IxDA Nederland. De sprekers namen diverse onderdelen van het vak van interactie ontwerper onder de loep en koppelden dat aan hun boek, hun persoonlijke visie, hun recente projecten, of tijdloze observaties. Mijns insziens was die laatste categorie het interessantst, vandaar dat hieronder de presentaties van James Box en Cennydd Bowles (Clearleft) en Matt Jones (BERG London) de meeste aandacht verdienen.
Robert Hoekman Jr. – Interaction Design Frameworks
Robert vindt design patterns “too small, too specific, too boring” maar nog altijd beter dan kant-en-klare componenten waaraan niks meer veranderd kan worden. Een niveau hoger noemt hij “design frameworks”, die beschreven worden via task-flows, user needs, human behaviour, design citeria en (alternative) solutions. Voorbeelden die hij noemt zijn het “signup framwork” (met patterns voor call-to-action, testimonials, value proposition en voorbeelden van benefits) en “catalog” (met o.a. winnow, select en validate). Die laatste, en dan vooral de afgeleide e-commerce pagina’s category, gallery en content kennen we al van zijn co-auteur Jared Spool die hier in 2005 al over schreef.
Waar ik me aan stoorde was dat in het oorspronkelijke idee van een pattern language al een hierarchie zit ingebouwd, waardoor een laag boven patterns (de frameworks) niet nodig is. Toegegeven, de meeste pattern verzamelingen zijn niet gelaagd, maar ze bestaan wel degelijk. Het beste voorbeeld daarvan is Martijn van Welie’s collectie met categorieen als “site types” (campaign site, travel site) en vooral “experiences” (community building, fun, story telling).
Hoewel Robert beloofde dat frameworks cost-effective zouden zijn, leverde hij daarvoor geen argumenten. Ook zijn stelling dat deze frameworks minder “boring” zouden zijn dan de onderliggende patterns werd niet structureel onderbouwd. Naast het boek over de interaction design framework (“Web Anatomy”), is Robert ook van plan zijn eigen lijst met frameworks te publiceren, op de webste van het boek. Op dit moment zijn daar 5 frameworks te vinden.
James Box en Cennydd Bowles
James en Cennydd (“Kenneth”) bespraken een flink aantal van de prinicpes uit het boek “Universal Principles of Design” (dat ik iedere ontwerper aanraad!). Zij deden dat aan de hand van een vergelijking van het vakgebied van interaction design met dat van muziek. Het idee was dat door met een andere blik naar ons vakgebied te kijken, we mogelijk tot nieuwe inzichten over samenhang, oorzaak en gevolg, etc. zouden kunnen komen. Apecten die aan de orde kwamen waren onder andere harmonie, resonantie en dissonantie, de gulden snede, rhytm (“grids”), de gestalt principes, texture en flow.
Een mooie quote was “Music is the pleasurable overflow of information”. Hoe bereiken we die “pleasurable” toestand dat met onze interactie ontwerpen?
Marcel Kampmann en Alrik Koudenburg
Marcel noemt zichzelf “independant creative director” en zijn projecten lijken inderdaad allemaal los van elkaar te staan. Ook in het verhaal va Alrik Koudenburg kon ik eerlijk gezegd geen lijn vinden, tenzij het iets was als “Ja, daar stond ik dan, geen idee wat ik moest doen, dus toen heb ik maar een vriendje van me gebeld en hebben we samen maar wat gedaan.”
Tom Jenkins (Nokia) – Communicating New Interactions
Tom besprak diverse manieren om ontwerpen te tonen aan verschillende doelgroepen, van teamleden, via opdrachtgevers, tot potentiele eindgebruikers, met een sterke nadruk op high-fidelity prototypes.
Hij doorliep de categorieen “tell” (met storyboards, videos, interactieve mockups en zogenaamde “sticky stories”), “show” (prototypes en uitontworpen experiences) en een derde die volgens mijn aantekeningen zowel “document” als “make” als “use” heette.
Hij beschreef Nokia’s oplossing (“zombie”) waar een lege doos van het formaat mobiele telefoon via Wifi met een PC communiceerde die de te tonen interface simuleerde. Ze zijn nu bij Nokia druk bezig om alle typen sensoren die in moderne mobiele telefoons worden gestopt ook in de lege doos te stoppen en de op de PC draaiende simulator ook op de signalen van die sensoren te laten reageren.
Uiteraard zijn dit soort “rijke” prototypes harder nodig bij bedrijven met mobiele telefoons als primaire product, maar ik zie meer en meer prototyping tools onstaan, ook voor interactieve, online applicaties. Ik moedig dat van harte aan, maar ik blijf mensen op het hart drukken dat naast een prototype ook een volledige specificatie ooit nodig zal zijn en dat er tijd voor genomen moet worden om die te schrijven.
Ronald Mannak
Ronald, een productontwerper die nu ondernemer is geworden, vertelde dat zijn bedrijf recent contact had gelegd met de proces ontwerper van Pixar en dat hij hoopte via die man hun eigen proces ook te kunnen verbeteren. Ik ga hem volgend jaar uitnodigen voor een Amsterdam UX Cocktail Hour om te horen wat er tegen die tijd verbeterd is…
Matt Jones – We have all the time in the world
Matt, voormalig medewerker van Nokia en Dopplr en nu partner in BERG London, beschreef in het eerste deel van zijn presentatie een aantal aspecten van tijd, de zogenaamde “4e dimensie”, en uiteraard van belang bij het ontwerpen van dialogen tussen mensen en machines.
Hij beschreef biijvoorbeeld hoe stripverhalen met hun series van panels op pagina’s zowel korte, detail interacties laten zien (de panels) als lange-termijn ontwikkelingen (de pagina’s).
Matt ging ook in op de twee verschillende namen die de oude Grieken hadden voor tijd: zowel Kronos (de slechterik) als Kairos (de goede) en hij stelde voor dat wij als interaction designers zouden proberen meer kanten van Kairos mee te nemen in onze ontwerpen.
Ook het idee van de tegenstelling tussen Monochronic, of M-time (alles gestructureerd na elkaar) naast Polychronic, of P-time (meerderde dingen parallel) was intrigerend.
Het tweede deel ging over de opkomst van real-time products: systemen met een sterke tijd-component die ook nog eens grotendeels real-time data produceren. Social networks en met name microblog-diensten als Twitter zijn daarvan bekende voorbeelden maar hij toonde ook enkele voorbeeld van het werk van Stamen die veel doen met time-based data visualisatie. In dit licht was ook zijn eigen werk aan Dopplr relevant; dat is immers een social reissite die probeert (frequente) reizigers op de hoogte te houden van de kansen om mensen uit hun netwerk tegen te komen onder reistijd.
Enkele mooie quotes uit zijn presentatie waren “data + time = story” en “do you really want everything around you to ping you?” Bij die laatste quote gaf hij aan dat hij in plaats van exacte tijd+plaats gegevens soms liever een soort heatmaps zou zien (bekend van eyetracking), wat bij mij weer een link triggerde naar Info.nl’s “virtuele warmte” model.
Op mijn vraag wat belangrijke kenmerken van real-time products waren kon hij nog geen heel concreet antwoord geven; wel dacht hij dat het eerder inzicht in de gebruikerscontext zou zijn, dan dat we per se veel profielinformatie van gebruikers moesten opbouwen. Ik denk persoonlijk dat beide mogelijk zijn en dat ze, samen met een relevante selectie van functionaliteit per touchpoint, de basis zijn voor Exploding Websites.
De tijd zal het leren…
